Bij wie ligt nu eigenlijk de bewijslast?!
In projecten hanteer ik altijd een simpele logica: stelling ter tafel = onderbouwen. Met andere woorden, als je beweert dat iets niet werkt, moet je dat aantonen met bewijs. Maar dat geldt ook andersom: als je beweert dat iets wél werkt, moet je dát óók kunnen onderbouwen.
Toch zie ik in de praktijk vaak het tegenovergestelde gebeuren. Bij een project liep ik tegen een probleem aan: transacties werden niet snel genoeg verwerkt. Ik maakte dit aanhangig bij de leverancier en onderbouwde mijn constatering met een duidelijke analyse. De leverancier was het daar niet mee eens en baseerde zijn weerwoord op losse, anekdotische situaties waarin de verwerking soms wel snel genoeg leek.
De projectmanager vroeg mij om nogmaals een test uit te voeren. Na een kort protest—omdat ik vond dat de leverancier appels met peren aan het vergelijken was—deed ik opnieuw een test. De resultaten bevestigden mijn eerdere bevindingen: het probleem bestond nog steeds. Weer onderbouwde ik dit met een gedetailleerde analyse.
De leverancier begon nu schoorvoetend aan een fix. Na enige tijd werd gemeld dat het probleem was opgelost. Ik testte opnieuw. Zelfde probleem. Maar in plaats van zelf met een onderbouwing te komen, stelde de leverancier wederom simpelweg dat het probleem niet bestond. En weer vroeg de projectmanager míj om nóg een analyse aan te leveren.