Bij wie ligt nu eigenlijk de bewijslast?!

In projecten hanteer ik altijd een simpele logica: stelling ter tafel = onderbouwen. Met andere woorden, als je beweert dat iets niet werkt, moet je dat aantonen met bewijs. Maar dat geldt ook andersom: als je beweert dat iets wél werkt, moet je dát óók kunnen onderbouwen.

Toch zie ik in de praktijk vaak het tegenovergestelde gebeuren. Bij een project liep ik tegen een probleem aan: transacties werden niet snel genoeg verwerkt. Ik maakte dit aanhangig bij de leverancier en onderbouwde mijn constatering met een duidelijke analyse. De leverancier was het daar niet mee eens en baseerde zijn weerwoord op losse, anekdotische situaties waarin de verwerking soms wel snel genoeg leek.

De projectmanager vroeg mij om nogmaals een test uit te voeren. Na een kort protest—omdat ik vond dat de leverancier appels met peren aan het vergelijken was—deed ik opnieuw een test. De resultaten bevestigden mijn eerdere bevindingen: het probleem bestond nog steeds. Weer onderbouwde ik dit met een gedetailleerde analyse.

De leverancier begon nu schoorvoetend aan een fix. Na enige tijd werd gemeld dat het probleem was opgelost. Ik testte opnieuw. Zelfde probleem. Maar in plaats van zelf met een onderbouwing te komen, stelde de leverancier wederom simpelweg dat het probleem niet bestond. En weer vroeg de projectmanager míj om nóg een analyse aan te leveren.

Wat is het probleem?
Het is makkelijk om de bewijslast steeds te leggen bij degene die in staat is een sluitende analyse te leveren. Maar als er een patroon ontstaat waarin één partij voortdurend onderbouwde constateringen doet, terwijl de ander enkel zegt dat het probleem er niet is zonder bewijs, dan verschuift de verantwoordelijkheid verkeerd.

  • Onderbouwde constateringen moeten serieus worden genomen – Als meerdere tests hetzelfde probleem aantonen, is dat geen mening, maar een feit.

  • Tegengas zonder bewijs heeft geen waarde – Wie beweert dat een probleem niet bestaat, moet dat net zo goed kunnen aantonen.

  • Een leverancier is verantwoordelijk voor zijn oplossing – Als een systeem niet naar behoren werkt, ligt de bewijslast óók bij de partij die het geleverd heeft.

Hoe pak je dit wél goed aan?
In een project ligt de bewijslast bij degene die een stelling inneemt. Maar als een probleem herhaaldelijk wordt aangetoond met onderbouwing, is het niet langer aan de melder om steeds opnieuw te bewijzen dat het probleem bestaat, dan moet de tegenpartij aantonen dat het wél werkt.

  • Iedereen moet zijn stellingen onderbouwen – Niet alleen degene die een probleem meldt, maar ook degene die beweert dat het niet bestaat.
  • Een leverancier moet zelf kunnen aantonen dat iets werkt – De verantwoordelijkheid voor een functionerende oplossing ligt niet alleen bij de klant die er klachten over heeft.
  • Projectmanagement moet sturen op bewijs, niet op aannames – Steeds de bewijslast neerleggen bij degene die het probleem aankaart, zonder eisen te stellen aan de tegenpartij, is niet neutraal maar gemakzuchtig.
Samenvatting
In projecten geldt een simpele regel: iedereen die een stelling inneemt, moet deze onderbouwen. Dit geldt zowel voor degene die een probleem constateert als voor degene die beweert dat er geen probleem is.
Wanneer één partij herhaaldelijk een onderbouwde analyse aanlevert, terwijl de andere partij enkel ontkent zonder tegenbewijs, ligt de bewijslast scheef. Een leverancier is verantwoordelijk voor zijn oplossing en moet zelf kunnen aantonen dat iets werkt. Projectmanagement moet sturen op feiten, niet op aannames.
Bewijslast is geen eenrichtingsverkeer. Wie iets beweert, moet het kunnen onderbouwen—ongeacht of het een probleem of een oplossing betreft.